Hier en daar staat hij stil, sluit zijn ogen, kantelt zijn hoofd een beetje en voor zover ik dat vanuit mijn raam kan zien houdt hij ook zijn adem in. Als hij zijn ogen weer open doet moet ik denken aan mijn oma die zich na het bidden langzaam realiseert dat ze aan de eettafel zit met ons -haar kleinkinderen- en niet met god. Hij neemt een slok uit de fles in zijn hand en gaat dan op een drafje naar de boxen in zijn raamkozijn. Toen ik hier kwam wonen had hij er twee, maar door de jaren heen heeft hij de oudjes bij het grofvuil gezet en nieuwen laten bezorgen. Dit jaar staan er vijf. Hij sjort zorgvuldig aan een box en gaat dan terug naar waar hij stond om opnieuw te luisteren. Weer de blik van oma, weer een slok. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes als hij verder de straat in wankelt. Ik denk omdat het met je ogen dicht beter hoort, maar moeilijker loopt.
Door de boxen kunnen zijn ramen vandaag niet dicht. Tegen de tijd dat de muziek echt aan gaat moet het in zijn huis steenkoud zijn. Mijn vader zegt dat huizen midden in een blok altijd verwarmd worden door de leidingen van omliggende huizen, maar als ik in de winter de verwarming uit zet zijn de kleren aan mijn wasrek al binnen een dag stijf bevroren.

Steeds als hij dat drafje naar de boxen doet ben ik bang dat hij met zijn ene been zal blijven hangen in de broekspijp van het andere been. Ik weet niet wat dat is met oude mannen, waarom hun broeken altijd te wijd zijn. Misschien gooit hij nooit iets weg omdat de kleding in de tijd dat hij het kocht meer kwaliteit had dan nu of omdat het zonde is in verband met de oorlog, maar intussen krimpt hij langzaam weg in zijn ribfluweel. Van boven heeft hij dat opgelost met een riem en bretels, maar van onderen is er weinig aan te doen.
Ik hoop dat hij zelf niet nadenkt over dit gevaar; als je gaat focussen op je eigen voetenwerk gaat het sowieso mis. Zo ben ik mijn ene tand kwijtgeraakt op Utrecht Centraal. Stenen trap dus extra goed opletten dacht ik, en twee seconden later lag ik met mijn voeten halverwege de trap en mijn voortanden op de onderste trede. Als hij valt zal ik 112 bellen en totdat de ambulance arriveert kijken naar het achterhoofd van mijn buurman. Ik zal me afvragen of zijn tanden nog heel zijn, of kunstgebitten sterker zijn dan echte tanden, of kunstbenen in geval van paniek beter stand houden dan echte, wat ik gedaan zou hebben als mijn benen het wél deden en ik zal vanuit mijn vensterbank in de gaten houden of zijn boxen niet gejat worden.
De zesde dit jaar. Ieder jaar Tsjaikovski en dit jaar dus zijn zesde. De laatste die hij schreef. Hij dirigeerde de première en stierf negen dagen later. De Encyclopedie van de Muziek zegt dat Tsjaikovski Pathétique zelf zijn beste werk vond en ook dat ‘pathétique’ het Franse woord is voor tragisch.

Ik vraag me af op welk moment de buurman besluit welk stuk het deze jaarwisseling moet zijn, en op basis waarvan. Wat mij betreft is de zesde nogal misplaatst. Het bombast past hier niet, fagotten hebben in onze wijk niets te zoeken. Aan de andere kant geldt dat voor wel meer dingen die hier desondanks ook zijn.
Om kwart voor twaalf zet hij de lege champagneflessen in een rechte rij op straat en steekt er vuurpijlen in, terwijl hij meedeint op de tragiek die zijn platenspeler de Tweede Vogelstraat in schalt. Ik heb zijn gezicht vaak genoeg gezien om er tevredenheid op te herkennen. De buren die om middernacht naar buiten stromen negeert hij. Hij houdt niet van mensen. Zeker niet van buren, zeker niet als ze met zo veel zijn.
Hij steekt de eerste lont aan en als de pijl de lucht in suist roept hij ‘óóóóóh!’ Aan hoe ver zijn borstkas omhoog komt kan ik zien dat hij zijn best doet om zijn eigen stem boven de muziek uit te horen.

Advertenties