Het paard ging dood. Hij was kreupel, hij had pijn; de dierenarts kwam en schoot hem af. Hij lag in een rij tussen twee andere paarden. Pof, pof, pof-pof (één paard had twee schoten nodig).
Drie dode paarden. Hun benen onder zich gevouwen, tegen elkaar aan geschoven alsof ze nooit anders bedoeld waren. Ze lagen stil, ze waren dood.
Toen begon er eentje te bewegen. Hij vouwde zijn benen onder het andere paard vandaan, er zat geen bloed meer op zijn hoofd, het kogelgat was ook verdwenen.
‘Hij leeft nog,’ zei ik tegen de dierenarts. ‘De mijne leeft nog.’
De dierenarts drukte haar stethoscoop tegen zijn buik en luisterde kort. ‘Hij is dood,’ zei ze.
‘Luister nog eens,’ zei ik. Zo’n diagnose heeft meer tijd nodig.
‘Dood.’
Even later stond hij op. Hij zwalkte. Een groot grijs dronken lichaam. Ik was bang dat hij alsnog zou neervallen. Hoewel ik de dierenarts zelf had gevraagd hem af te schieten, zag ik hem liever in leven.
‘Hij leeft nog,’ zei ik tegen de dierenarts.
‘Stuiptrekkingen,’ zei ze. ‘Spierspanning in een dood lichaam.’
Na een paar slingerende passen draafde hij om ons heen. Een ronde door het weiland, van de dood was niets te zien.
‘Kreupel is hij niet meer,’ zei ze. Daar had ze gelijk in.
‘Zo’n stuiptrekking kan lang duren,’ zei ze. ‘Maar dood is dood.’

Advertenties