Het huis is op het platteland. Als ik moest specificeren zou ik zeggen; een eiland. Niet Texel, eerder Vlieland of Ameland. In de kamer staan twee grote bedden met strakgetrokken bruine spreien. Op het ene zit ik, op het andere een oudere man. Groot, grof, diepe groeven in zijn bruine gezicht; op het eerste oog zou je denken dat hij naar buiten ruikt, en naar koeien. Hij leunt tegen de muur en heeft zijn knieën opgetrokken.
Naast mij staat een glazen stok met daaraan een streng van de staart van een paard. Het lijkt een gebruiksvoorwerp al kan ik niet bedenken waarvoor het te gebruiken is; het zou ook kunst kunnen zijn.

De man is aardig, dat zie ik aan zijn handen en aan het soort kamer waarin hij woont. De vrouw die binnenkomt heeft een gebogen rug, draagt een soepjurk en ze heeft voor mij een vers gesmeerde boterham bij zich. Hoe ze wist dat ik hier ben weet ik niet; ik wist niet dat zij hier was en voor zover ik weet heeft ze met de man geen contact gehad sinds ik hier ben. Misschien was ze op alles voorbereid.
De vrouw en de man voeren een vriendelijk gesprek over het eiland en het huis. Minuten later is besloten dat de vrouw zal vertrekken om de man niet langer te storen met wie zij wil dat hij is.
Ze maakt een grapje. Over de stok met paardenhaar. De man vult aan hoe mooi hij de stok vindt en hoe kwaad zij er steeds weer van wordt. Zij haat kunst die lijkt op een gebruiksvoorwerp.
Dit doen ze voor mij. Een korte inleiding in samen leven.
We moeten er alledrie om lachen. Het is goed dat zij nu nooit meer naar de stok hoeft te kijken.

De vrouw vertrekt.
Er komt een vriend van de man binnen. Hij moet bukken om zich niet te stoten aan de deurpost. Zijn vuile t-shirt spant strak om zijn buik en aan zijn broek hangt wat stro. Hij heeft een groot mes in zijn hand dat hij naar me uitsteekt om me een boterham met humus aan te geven. Blijkbaar vindt iedereen hier dat ik meer zou moeten eten.

Advertenties